Algemene inhoud

Verslag Studiedag Stadsnabije Landbouw - 1 december 2010

Het thema van studiedag paste perfect in de Mededeling die op 18 november door de Europese Commissie werd verspreid over het GLB. Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid stelt zich tot doel om de toekomstige vraag naar voedsel, natuurlijke hulpbronnen en regionale ontwikkeling te voldoen. Geen eenvoudige taak gezien er ongeveer 495 miljoen Europeanen zijn met een bevolkingsaangroei van 5 pro mille jaarlijks. In de Mededeling wordt veel aandacht besteed aan de balans tussen steden en het platteland. Voedsel en andere noodzakelijkheden moeten immers vanuit het platteland richting stad gestuurd worden. Ook hier geen eenvoudig organisatievraagstuk gezien de omvang en de diversiteit. Ongeveer 45 % van de Europeanen woont immers in steden.

Daarnaast is de tijdsgeest rijp om meer aandacht te schenken aan de nabijheid van die voedselleveranciers. Door de globalisering en het streven naar een ééngemaakte markt zijn de voordelen van ‘dichtbij’ wat in het verdomhoekje geraakt. Hoeveel voedsel halen we nog uit onze onmiddellijke omgeving? Hoeveel transport is er niet gemoeid met ons dagelijks menu? Hoeveel kilometers rijdt een burger om zijn koelkast te vullen? Vanuit duurzaamheidsoverwegingen zijn hier vragen rond gesteld en verschillende groeperingen hebben er een oplossing voor. Nabijheid is een troef die kan uitgespeeld worden.

Piet Vanthemsche maakte bij de opening een parallel tussen wat nu gebeurt in het Pajottenland, waar hij woont, en wat beschreven werd door Emile Vandervelde in een monografie uit 1924. Toen was er géén proletariaat, tot (on)genoegen van de socialistische voorman. De landarbeiders kweekten toen in kleine tuinderijen zéér intensief aardbeien voor de versmarkt in Brussel. Het verschil met vroeger is dat de Brusselaars nu naar het Pajottenland komen: “Ik zie de landbouwers mikken op die recreanten om een geweldige toegevoegde waarde te realiseren”.

 De economische relatie stad – platteland bestaat dus nog steeds. De relatie met de stedelijke consument is duidelijk gekleurd door de behoeften of noden van die stedeling. Dat was de boodschap van Gert Van Thillo, innovatieconsulent. Hij noemde de stad zowel een bedreiging (hoge grondprijzen, verdringing…) als kansenrijk. Naast een opsomming van de problemen van grootstedelijke gebieden toonde hij wat landbouwers kunnen bieden als antwoord. In drie domeinen is er een grote vraag: social farming (deze term werd beter bevonden dan groene zorg), plattelandsbeleving en culturele diversiteit.

Johan Geleyns, een akkerbouwer uit Wilsele bij Leuven vertelde dat zijn vader reeds aan hoeveverkoop van aardappelen deed en dat hij dit verder diversifieerde naar de lokale handel. Heel belangrijk voor een stadsnabije boer is de sociale relatie met de buren, niet alleen de consument bepaald voor een stuk de richting van het bedrijf maar ook de sociale inbedding. Johan zet dan ook hard in op de Landelijke Gilde van zijn dorp, open deur activiteiten en de jaarlijkse nieuwjaarsdrink voor de buren.

De lezing van Etienne Van Hecke, professor economische geografie, gaf inzicht in de evolutie van de landbouwoppervlakte, het aantal bedrijven en de toegevoegde waarde binnen en buiten de stadsgewesten. Wat bleek? Er zijn heel grote verschillen per stedelijk gebied en er zijn heel wat minder verschillen tussen het stedelijk gebied en er buiten. Vooral het Brusselse stadsgewest wijkt serieus af. De oorzaak hiervan is duidelijk het stopzetten van de intensieve teelten zoals de aardbeien en het witloof. En in de statistieken zien we nog niet welke substituten er zijn.

Van een heel andere orde was de inbreng van de Nederlandse collega’s. Andries Visser van de universiteit Wageningen bracht een voorbeeld mee van ‘omdenken’. Hoe kan een stad, Almere, in Flevoland met de best producerende gronden van 180 000 inwoners groeien tot het dubbele met behoud van de agrarische activiteiten? Na heel wat voorbereiding wordt de visionaire droom werkelijkheid. Op dit moment is men bezig aan de uitvoering van een project op 250 ha voor 5000 inwoners waarvan 180 ha zal overblijven voor ‘stadsnabije landbouw’. Enquêtes hadden aangetoond dat best veel mensen (tot 60 % op wandelafstand) dicht bij boerderijen willen wonen. Tot twintig procent wil er zelfs naast wonen!

Jan Willem Van der Schans van Wageningen en het LEI berichtte over welke verkoopsstrategieën boeren dicht bij de stad hebben. De omgeving waarin ze werken is zeer turbulent en ze gaan daar rekening mee houden bij het uitbouwen van hun onderneming. Tenminste dat zegt de theorie. Jan Willem toonde verschillende voorbeelden uit de praktijk die de verantwoording gaven van stadsnabije landbouw (duurzaamheid, woon & vestigingsklimaat, integratie, toegang tot voedsel).

Bron: Landelijke Gilden
http://www.landelijkegilden.be/Onzewerking/Plattelandsacademie/Archief/tabid/717/articleType/ArticleView/articleId/469/Studiedag-Stadsnabije-landbouw.aspx
Ook de presentaties kunt u terugvinden door op bovenstaande link te klikken.